Sinds deze maand ben ik weer aan het werk in KCMC na een paar maanden werk in Amsterdam waarvan ik erg heb genoten: patientenzorg in combinatie met opleiden en lesgeven is het allermooiste werk. Op vrijdag had ik daar mijn laatste dag- en maandag deed ik alweer volwassenpoli neurologie in KCMC en landde mijn reflexhamer op Tanzaniaanse knie- en Achillespezen.
Alsof het zo voor ons gepland was stapte ik een ramvolle poli binnen. Poli’s vinden hier plaats in 1 kleine ruimte met ongeveer 6-8 artsen en zo’n 70 patienten op een ochtend. Er is geen privacy, maar het is wel weer een goede manier om alles te kunnen overzien en zoals het neurologen betaamt ons een snelle patroonherkenning te veroorloven zodat een resident sneller vooruit kan met zo’n lange rij om de hoek.
Om over rolstoeluitsteeksels te moeten klimmen en klein zijn komt goed uit op deze poli. Onder een ouderwetse hoge brancard door moeten kruipen op een manier dat niet al je spullen uit je witte jas vallen omdat je op een andere manier je eigen patient niet meer kan bereiken, zigzaggend tussen de patienten die allemaal meteen iets met je willen overleggen omdat het anders nog uren kan duren voordat hun deel van de rij bij ons belandt en ga zo maar door. Maandagen zijn verschrikkelijk- maar ook verschrikkelijk leuk.

Op deze maandag leek alles mee te zitten: er was stroom, het ziekenhuis had de internetrekening betaald dus er was internet, en de server was nog niet overbelast zoals wekelijks het geval is.
Maar het was de eerste dag dat er vrolijk een digitaal aanmeldingssysteem werd uitgeprobeerd. Ontworpen door dezelfde internetontwikkelaar die ons Hausgemachtes Ziekenhuis Informatie Systeem heeft bedacht dat zelfs ik -gespeend van elk digitaal talent- nog kan hacken.
Uitgeprobeerd. Zonder overleg met ons en op de aller- allerminst geschikte poli op een maandagochtend met zo’n 60-80 patienten die gezien moeten worden. Neurologiepatienten zijn vaak op leeftijd, leven met pijn, zijn slecht ter been, verward, slechthorend: net als het personeel van KCMC begrepen ze er niets van. Het systeem waarmee je ‘gewoon’ een patient zoekt met zijn ziekenhuisidentificatienummer en dan een consult opent werd geblokkeerd door dit experiment.
Uiteindelijk zijn we maar de rij af gegaan met een papieren receptenblok, zodat iedereen, verzekerd of niet, in ieder geval eventuele levensreddende medicijnen kon gaan kopen en later terugclaimen van de verzekeraar.
De luchtige kant van terug in KCMC zijn kreeg ik ook meteen mee. Een groep vrouwen met ex-premature kinderen stond buiten de neonatale intensive care te praten met de verpleegkundigen en artsen. Ze waren terug voor de policontrole van hun kinderen en vertelden dat ze in die angstige onzekere weken na de te vroege bevalling vriendinnen waren geworden. Ik werd letterlijk de groep in getrokken en ze toonden trots hun kinderen, sommigen van wie ik -met m’n timmermansoog- wel een keertje terug verwacht op mijn kinderneurologiepoli. Het contact was spontaan, open en hartelijk en ik genoot van de manier waarop de hardwerkende jonge kinderartsen en AIOS op deze manier door de moeders in het zonnetje werden gezet.
Op mijn kinderneurologiepoli van gisteren werd gelukkig niets uitgeprobeerd. Alles was als vanouds. Ik geniet van deze groep van veelal in de steek gelaten moeders met kinderen die letterlijk hun hele leven, vanaf hun geboorte, al onze patienten zijn. Tweederde van mijn poli bestaat uit kinderen met cerebral palsy en driekwart van ze heeft dat door zuurstofgebrek rond de geboorte. In de meerderheid van deze gevallen is dat potentieel voorkoombaar geweest.
Toch overvalt me nogal eens die verborgen wereld van het stigma op neurologische aandoeningen en op epilepsie en een zichtbare handicap. Ik zat te kletsen met een moeder van wie ik het kind (8 jaar oud, 8 kilo) al sinds de geboorte onder mijn hoede heb. Vanwege de complexiteit van deze aandoening moet je het ook over schijnbaar ongerelateerde dingen hebben zoals eten, slikken en dieet. Anti-aanvalsmedicatie geeft vaak een probleem van zachte botten en slecht tandglazuur door een vitamine D opnameprobleem en het feit dat door kwijlen kinderen veel speeksel verliezen- en dat houdt je mond nou juist schoon en gezond.
De meest goedkope manier om dit te bestrijden is een optimaal dieet (lastig als je weinig geld hebt voor zuivel, noten, vlees of vis en al helemaal geen koelkast), dagelijks een theelepeltje levertraan dat overal te krijgen is en spotgoedkoop- en: zonlicht. Mijn standaard advies is een uurtje buiten in de zon, mouwen en broekspijpen opgerold en een hoedje of petje op. Maar de angel zit hem in dit laatste advies.
Moeders met kinderen die een beperking hebben worden het liefst uit het zicht gehouden. Hoe arm of rijk de familie ook is, deze kinderen leven grotendeels binnen. Niet alleen omdat moeder druk is om het huishouden te runnen of geld te verdienen, maar omdat het hebben van een kind met een zichtbare handicap helaas met schaamte en geheimzinnigheid omgeven is. Het makkelijkste is dan om je kind gewoon binnen te houden. Buren weten dan wel vaak dat er een kind verborgen wordt. Jaren geleden schreef ik over Boniface. Het advies van een uurtje in de zon klinkt makkelijk maar wordt om deze reden vaak niet uitgevoerd. En ik lees dat af van het gezicht van zo’n vrouw: je ziet haar denken ‘ maar dat kan dus niet ‘. Schaamte en angst bovenop het hebben van een perfect kind dat tijdens de geboorte kapot ging, waarmee je 24 uur per dag bezig bent en waardoor je man vertrok en je je baan verloor. Zodat je vaak weer bij je eigen ouders moet gaan wonen.
Volgend jaar starten we op ons openluchtpleintje een wekelijkse groepsessie, met lunch, voor elke moeder (en vader, soms) en kind die op onze poli komen. Onze mental health unit en ergotherapeuten verzorgen deze sessies bij toerbeurt. Ik hoorde gisteren het goede nieuws dat een kleine organisatie uit de VS het projectje wil ondersteunen met een relatief klein bedrag voor de komende jaren. Door te faciliteren dat deze mensen samen kunnen praten en ontspannen (en te zien dat het kind naast ze misschien net nog een kleinere schedel heeft dan dat van hun eigen kind) voelen ze zich erkend, begrepen en gewoon eventjes wat beter. Dit laatste heb ik koppig aangehouden als ‘uitkomstmaat’.
Vier kinderwelzijnorganisaties die me in de afgelopen jaren vroegen of ik nog een idee had wat ze zouden kunnen ondersteunen heb ik dit simpele en goedkope idee voorgesteld. Telkens werd het afgewezen. Een Poolse missieorganisatie (van de regering, toe maar) wilde het wel financieren maar dan alleen als Poolse mensen onze counsellors 2 weken zouden kunnen komen trainen. Waarom? Omdat Polen het beter weten dan Tanzanianen? Omdat ze katholiek(er) moeten worden? Alsof ze ook maar een woord Swahili spreken. Ik heb gezegd dat we het graag anders om willen, en daarom de Poolse trainers verwelkomen om te leren van onze omstandigheden en met meer kennis en inzichten terugkeren naar Polen. Nooit meer iets terug gehoord. Een reden van een andere aspirant sponsor was de uitkomstmaat: kon ik niet iets anders verzinnen dan ‘zich iets beter voelen’? Een Quality of Life maat, misschien een prospectieve studie? Ja, natuurlijk- maar dat wilde ik niet. Want soms ben ik gewoon op zoek naar een partner die snapt welk werk ik doe en die mij erop kan vertrouwen dat ik zie wat er nodig is.


















